Lief zusje

Lief zusje,

Al twintig jaar ben jij mijn kleine zusje. Zelfs toen je ging samenwonen in een klein krakkemikkig huisje in het gehucht Olst, bleef dit zo. Tot anderhalf jaar geleden. Of eigenlijk, tot 9 máánden geleden. Een beslissing die consequenties zal hebben voor de rest van je leven. Maar, ik ben er 100% van overtuigt dat deze beslissing de juiste is geweest. Negen maanden geleden werd jij mama  van de tweede liefde van je leven en, echt waar lief zusje, ik ben nog nooit zo trots op je geweest!

Zoals ik al zei ben jij al twintig jaar mijn kleine zusje, en ik automatisch al twintig jaar je grote zus. Twintig jaar lang hebben wij elkaar het leven zuur en gezellig gemaakt. Want laten we eerlijk zijn: Kelsey en Iris waren als vuur en water. Het is ook niet voor niets dat ons kleine broertje al-tijd tussen ons in moest zitten wanneer we een stuk moesten rijden. Puur en alleen omdat we elkaar anders de auto uit sloegen. Tja, vier handen op een buik zijn wij nooit geweest. Maar dit hoeft ook niet. Ik mocht jou slaan en jij mij. En schoppen trouwens ook. Oh ja, en knijpen. Maar zodra iemand anders het ook maar in zijn hoofd haalde om mijn kleine zusje met een vinger aan te raken, dan was het oorlog. Niemand raakt jou aan. Alleen ik. En andersom.

Zoals jij ook wel weet, lief zusje, komen wij uit een gezin waar niet vaak de woorden ‘ik hou van je’ worden uitgesproken. Dat is goed, want dat heeft ons geleerd dat liefde niet in woorden zit, maar in daden. Ik hoop dan ook dat je weet dat ondanks ik het nooit zeg, er een groot gedeelte in mijn hart gereserveerd is voor jou. Liefde noemen ze dat.

Ik weet dat ik niet altijd de beste zus voor je ben geweest. Toen jij een jaar of 3 geleden in dezelfde crisis terecht kwam als ik op die leeftijd, heb ik je laten zitten. Ik was te druk met mijn studie maar ondertussen verhuisde jij van het ene huis naar het andere. Niemand had kunnen voorzien dat ik daar daarna weer wegging, omdat ik er niet tegenkon dat er altijd wel wat gedonder in huize Obdeijn was. Ik weet het, dit gevoel heb ik op een vreselijke manier geuit. Van al de jaren dat ik jou heb vervloekt, afgekapt en plat heb genegeerd heb ik heel veel spijt. Want gedonder, dat kennen we inmiddels wel. De scheiding van papa en mama heeft ons niet goed gedaan. Een heel drama kun je gemakkelijk zeggen. Ik als eigenwijze puber, en jij als kleine grote meid die net de puberteit in rolde. We hadden het niet gemakkelijk met z’n 4-en. Maar echt waar lief zusje, eigenlijk heb ik altijd voor de volle 100% achter je gestaan.

9 maaanden lang heb ik je vervloekt. “Aan mijn deur geen polonaise”, heb ik diezelfde 9 maanden lang gezegd. “Ik wil geen kinderen, ik stop ze terug”, waren ook één van die zinnen die geregeld uit mijn mond ontsnapten. Maar nu wil ik de beste tante ter wereld worden. Ik meen het, ter wereld!

Toegegeven: jullie zijn misschien wat jong voor een eigen kindje. Maar van kinds af aan heb ik af gezegd dat jij een born-to-be-mom bent. Een geboren moeder zullen we maar zeggen. En die woorden heb jij bewezen.

Het leven is mooi en jullie weten samen te genieten van alle kleine dingetjes. Zelfs een klein ‘Louise-Blue’-dingetje. Een prachtig meisje die je –wat mij betreft- met veel trotse buigingen op de wereld hebt gezet. Ik heb me geen beter zusje kunnen wensen. Lief zusje, je bent een kanjer!

 

PS. Ik ben super trots op je! Maar dat weet je hopelijk wel.

Schaduw van de tijd

Mijn ogen voelen zwaar. De kleine lichtstraaltjes die nog binnen komen via de kiertjes tussen mijn wimpers houden mij nog enigzins wakker. Het kaarslicht is gedempt. De kaarsen die begin deze avond nog mooi egaal waren, zijn veranderd in kleine vlammende stompjes. Het verhuld hoelang we hier al liggen.

Je warme armen om me heen laten me veilig voelen. Je mooie, grote mannelijke handen beschermen mij. Ze zijn zacht, maar toch sterk. Het geeft me het verlangen. Het verlangen van de ideale droom.

Zachtjes knipper ik nog eens met mijn ogen. Het zachte getik van de klok, het nachtelijke gefluit van de vogels, je zware ademhaling. Het doet me beseffen hoe fijn stilte is. Stilte met jou. Alsof niets meer er toe doet. Alleen jij. En ik.

Ik draai me om. De smalle bank waarop we liggen laat me enigszins acrobatische capriolen uithalen, maar wanneer ik eenmaal met mijn gezicht naar je gekeerd ben voel ik daar niets meer van. Ik voel je adem in mijn gezicht. Je stralende ogen kijken me verlangend aan. Niets of niemand lijkt ons in de weg te staan. Even verdwaal ik in mijn gedachten. Je warme handen op mijn buik houden me in het nu. Zachtjes pak ik je hand en streel hem over mijn lichaam. Mijn hals, mijn borsten, mijn buik. Je handen geven zich over aan de mijne. Subtiel ontkleedt je mijn shirtje van mijn lichaam. Kleine, oranje sproetjes zijn nog maar zichtbaar in dit schaarse kaarslicht. Mijn zachte lippen glijden door je nek, over je tepels naar je buik. Onvermijdelijk hoor ik je zachte kreuntjes. Ik knoop je blouse open en gooi hem op de grond. Onze kledingstukken liggen kriskras door elkaar op je vloer. Niets of niemand houdt ons tegen. Het getik van de klok verdwijnt zachtjes verder op de achtergrond, deze nacht zal de tijd doen stil staan…

Het verdriet achter de zandkoekjes

“Oké, we spreken het zo af: Melissa en Bram gaan eerst en dan mag jij. Het is volgens de procedure als we van het jongste naar oudste kind gaan. Heb je daar bezwaar tegen?” Ik voel de haartjes op mijn armen rechtovereind staan bij die vraag. Heb ik bezwaar tegen wát? Dat mijn ouders in scheiding liggen en jij maar even denkt het te lijmen? Rechters, ze kunnen me wat! Ik antwoord gewenst en ga naast Melissa en mama zitten. Gespannen, vol van verwachting. Het huwelijk wordt nu officieel onttrokken. Geen liefde, geen ouders. Alleen jij en ik. Jij, die mij altijd duidelijk vertelde dat wat God verboden heeft, niet verbroken mag worden.

De vraag waarom ik hier zit wordt steeds zichtbaarder. De weg hierheen was op zijn zachtst gezegd bloeddruk verhogend. Moeder die de weg kwijtraakte met haar oriëntatie van een pot pindakaas, stoplichten die niet meewerkten en een tas die in beslag genomen werd bij aankomst in het gerechtsgebouw.

Ik zie ze nog zo staan. Drie brede mannen, jaar of 40, getint, en een hoofd waar je spontaan de kriebels van kreeg. Daar moesten ze vast vaak op geoefend hebben, was het eerst wat in me op kwam. Autoritair wezen ze ons naar een achterkamertje. Het was als een Schipholvlucht zonder vliegtuig. Tassen en jassen moesten ingeleverd worden en werden uit voorzorgsmaatregelen door een scan gehaald. Allen werden we aandachtig gefouilleerd, alsof we potentiële criminelen waren met plannen voor een aanslag in een ver gevorderd stadium. Terwijl ik angstig toekeek hoe Melissa en Bram onderzocht werden door één van de bewakers, werd de tas van moeder zonder pardon in beslag genomen. “Mag u vanmiddag weer ophalen, nadat u klaar bent”, was het stugge antwoord wat we kregen. Een klein doosje met daarin naald en draad waren de boosdoeners geweest. Mijn moeder was bijna een crimineel die iets wilde gaan doen met een naald. Wauw, bijna was ik nog banger geworden. Gelukkig kon ik nog lachen. Het was typisch een actie voor moeder. Volledig in stress opgaan en niet beseffen dat je volgens ‘Het wetboek der wetboeken’ natúúrlijk geen naald en draad bij je mag hebben. Stom. Mijn broertje zag er de lol wel van in. Hilariteit ten top voor hem. Mama was een crimineel, best wel grappig vond hij. Bram schroomde niet om zijn humor ook met anderen te delen. Zonder nadenken hoor ik hem het nog nazeggen: “Mam, je bent een crimineel!” Galmend door het gerechtsgebouw zag je mannen en vrouwen omkijken. Gelukkig waren we hier op het juiste adres als moeder écht een crimineel was geweest, bedacht ik me met een kleine glimlach. Begeleidend door een medewerker werden we meegenomen naar een afgelegen wachtkamer op de eerste verdieping. De afdeling behoorde de naam ‘Kinderrechter’ of iets dergelijks toe. Een rechter voor kids. Ik vroeg me af wat daar de bedoeling van was. Een kinderjuf verkleed in een zwart/wit gewaad, spelend met blokken om te leren wat recht en gerechtigheid betekent? Wat wilde de kinderrechter doen? Op de grond zitten samen met het kind zandbakje spelen, onderwijl het motto ‘samen spelen, samen delen’ uitleggen en toepassen op het co-ouderschap? “Luister eens. Je papa en mama kunnen niet meer samen met je spelen. Nu moeten ze je delen. Maandag naar papa, dinsdag naar mama. Woensdagochtend naar papa, woensdagmiddag naar mama…”Ik dacht dat ik gek werd. Waarom wordt er tegenwoordig zo moeilijk gedaan? In de tijd van de Bijbel had je niet eens rechters die luisterde naar de belangen van beide partijen. Een rechter was vaak partijdig en was niet te betalen. En als je überhaupt toch een rechter kon betalen, kon je hem het best omkopen om je gelijk te behalen. Zo ging dat in die tijd. Niks niet moeilijk doen, een flinke bruidsschat was een keer wat je je eerste vrouw moest betalen. Maar ach, als dat alles was..

De vrouw die tegenover me zat en kinderrechter moest voorstellen had stijl blond haar die tot haar schouders reikten. Met een vreselijk kak-accent en twee grote blauwe ogen die je aanstaarden alsof ze dwars door je heen keken. Tot mijn grote verbazing zat ze niet in een schelpenvormige zandbak maar zat ze in een grote, zwarte leren stoel. Het zou me niets verbazen als het een replica was geweest van de stoel die mijn opa in zijn woonkamer heeft staan. Naast mevrouw de kinderrechter zat een gek mannetje met een ronde bril. Zijn bril zorgde ervoor dat zijn ronde gezicht nóg ronder werd. Zijn wangen waren als die van hamsters. Vol, rond en hangend naar beneden. Hij was precies het type dat je zou aanwijzen als kruising tussen kabouter en studie-nerd. Klein van stuk, nietszeggend, rond hoofd en een nog ronder brilletje wat zijn uitstraling duidelijk niet ten goede kwam.

Met zijn pen in de aanslag keek hij me wazig aan, alles wat ik zei werd in hoofdletters, afkortingen, vierkantjes en pijltjes opgeschreven. Zelf zou ik er niet veel wijzer van worden, wanneer ik mezelf had moeten citeren. Meneer was namelijk griffier. Moeilijk woord voor iemand die een kinderrechter ondersteunt. In kinderdagverblijven noemen we zo iemand gewoon stagiaire. Stagiaires doen stomme klusjes; opruimen, schoonmaken, je snapt het wel. Vanaf vandaag zou ik daar zo ‘citaten opschrijven’ bij op kunnen noemen. Ik kan me niet indenken dat griffier zijn een echt beroep mag worden genoemd. Kleine tekeningetjes in de hoek maken wanneer iemand niets zinnigs zegt, zou echt typisch iets voor mij zijn. Bloemetjes in de hoek en hartjes in het midden. Tussen de bloemetjes en de hartjes wat impulsieve quotes en mijn citatenpapiertje zou klaar zijn.

De kinderrechter is als een psycholoog zonder psychologie. Vraagt of ik wil vertellen hoe de band met mijn ouders is, hoe mijn toekomst eruit ziet en bij wie ik wil wonen. En dat alles het liefst zonder enige emotie. Makkelijke vragen, moeilijke antwoorden. Rechters zijn objectieve mensen, harde mensen, mensen zonder enige emotie. Veroordelen mensen door maar aan de zijlijn te staan roepen, zonder enig begrip. Bij nader inzien had ik toch liever die schelpenzandbak gehad als gerechtsgebouw. Had ik mevrouw de kinderrechter nog een eigen gemaakt zandtaartje kunnen aanbieden. Huisgemaakt, van vers zand met een vleugje liefde en veel verdriet!

Nacht zonder jou (16+)

Kus me lieverd, ik wil je naakte lichaam op de mijne”. Zijn zware hese stem maakt me opgewonden. Ik kan niet wachten. De drang om naar hem toe te gaan, met hem te vrijen en urenlang te knuffelen. “Aahw liefje” antwoord ik enigszins ondermaats. Kon ik maar naast hem liggen bedenk ik me stilletjes. Zijn gespierde lichaam, zijn mannelijke armen om mij heen. Hoe hij me vastpakt.. “Liefje, had ik je al verteld..” “Stt! Hou toch eens je bek!” Mijn mond wordt keihard gesnoerd. “Doe es normaal joh, klootzak!” “Je moet goed begrijpen Liesbeth, de behaalde resultaten zijn echt alleen behaald door de juiste strategie. In dit eerste kwartaal zijn de resultaten 36% gedaald ten opzichte van vorig jaar. Je moet begrijpen dat we niet anders kunnen als reorganiseren.” Ik ben met stomheid geslagen. Resultaten? Strategie? Met welke imbeciele workaholic denkt hij aan de telefoon te zitten? Het zoveelste geheimzinnige telefoontje waarbij zijn vrouw Lotte stiekem meeluistert zeker.“Liehiess, je bent h..” Tuut Tuut tuut.. Verbinding verbroken. Fuck. Klote. Kut.

Half twaalf ’s nachts, niet de meest handige tijd om van huis te vertrekken, maar ik wil echt naar Ruben. Het telefoontje van gisteren zit me niet lekker. Wat wilde hij vertellen? Waarom deed hij zo afstandelijk? Ik druk de deur achter me dicht. Alles wat ik zie is een donkere straat met af en toe een lantaarnpaal. Wat Ruben niet weet, is dat ik vreselijk bang ben in het donker. Met een schichtige blik kijk ik om me heen. Ik wil niet opvallen. Gecontroleerd maar toch paniekerig loop ik van lantaarnpaal naar lantaarnpaal. Was Ruben maar bij me, bedacht ik me in een seconde. Zijn sterke armen zouden mij vast beschermen in deze duistere nacht. Licht, dat was echt het enige wat ik nodig had om bij Ruben te komen. Wie was het, die daar wegliep? Schichtig kijk ik alle kanten uit, maar de schim is alweer verdwenen. Ik loop verder, mijn hart klopt in mijn keel. Mijn handen klam van het zweet. Het enige wat ik wil is bij Ruben zijn. Als ik bij Ruben zou zijn, zou ik mezelf waarschijnlijk keihard uitlachen vanwege mijn angst, maar nu staat het zweet me in m’n handen. Een onbehagelijk gevoel bekroop me. Ik voel me bekeken, maar weet niet door wie. Snel kijk ik om. “Hallo?”.. Roep ik zo dapper mogelijk. Niemand. Vlug loop ik door, richting Ruben, bang van elke schaduw, elk geluid. Het weer werkt ook al niet mee, het regent pijpenstelen en donkere wolken drijven over mijn hoofd heen. Vlug, half rennend, kom ik de hoek om en bots ik tegen iemand op. Ik wil al bijna gaan gillen om hulp, maar dan zie ik de angstige ogen van de buurvrouw. Zenuwachtig lachen we naar elkaar, zij was volgens mij nog banger dan dat ik ben. Mijn lichaam is op. Ik ben zo bang. Mijn hoofd ontploft van angst, mijn ogen zijn moe van het schichtig rond kijken.  Daar was Rubens huis al, thank God. Ik schiet de straat op en zet het op een rennen. Ineens sta ik vol in het licht en hoor piepende banden achter me. Ik spring nog net op tijd weg en luid toeterend scheurt de auto verder. Beurs lig ik op de vochtige grond. “Eikel!” Roep ik zo hard mogelijk hem achterna. Wat een gek zeg. Even vergeet ik mijn angst en bedenk ik me dat mijn schouder pijn doet. Mijn kleding is helemaal vies van de modder. Ik kan wel huilen. Ik snap niet dat ik helemaal alleen de poging heb gewaagd om naar Rubens huis te gaan. Met alle kracht die ik nog bezit sta ik op en loop ik naar de overkant van de straat. Daar sta ik uit te hijgen. Ik kijk even om me heen. Een man met een hond, een vrouw met een kinderwagen, een buurman die uit zijn auto gestapt kwam. Het was druk voor dit tijdstip. Té druk. Snel, nu de deurbel. Mijn handen bibberden zo, dat ik mijn vinger nauwelijks op de deurbel krijg. Triiiing. Een wat verouderde deurbel klinkt. Een klik, de deur zwaait open. Even sta ik te kijken.“Ruben?” Mijn stem trilt. “Ben je daar, Ruben?” Ik sta nog uit te hijgen van wat er zonet gebeurde voordat ik goed en wel besef dat er een oude platenspeler lijkt te spelen. Ik probeer aandachtig te luisteren. Veel kan ik er niet van maken, de plaat lijkt wel achterstevoren afgespeeld te worden Mijn angst is groter dan mijn euforie om Ruben te zien. Ik vraag me hardop af waar Lotte is. Lotte, Rubens vrouw is een hardwerkende ondernemer. De laatste jaren gaat het slecht tussen Ruben en Lotte. Lotte is alleen maar met haar  webshop bezig, ‘Voor de kleintjes’. ‘Voor de allerkleinsten met een klein prijsje’, zo luist haar slogan. Ik heb haar website wel eens bezocht, het ziet er fraai uit. Hier en daar laat ze een steekje vallen, wat dat betreft zou ik haar ideale assistent kunnen zijn. Mijn webeditor capaciteiten kan ze goed gebruiken. Toch zie ik d’r niet graag. En dat komt niet omdat ik er met haar man vandoor ga. Ik heb gehoord dat ze heel geheimzinnige praktijken uitvoert.  Iets met geesten en zwarte magie. Het bevalt me allerminst.

Met mijn benen nog maar amper in het huis van Ruben voel ik iets naast me. Mijn haartjes op mijn armen staan rechtovereind. Met een ruk draai ik mijn hoofd. In een seconde voel ik een windvlaag, een heel groot gewaad dat in een split second langs me schoot. Wow, het was er echt. Even draai ik me nog om. Het liefst zou ik nu in een hoekje wegkruipen en morgen pas wakker worden. Dit is niets voor Ruben bedenk ik me. Normaal zou hij me met veel plezier ontvangen. Zelfs als Lotte er is. Lotte denkt namelijk dat ik een collega ben van Ruben. Dat we op hetzelfde kantoor werkzaam zijn en dat we nu partners zijn in hetzelfde project. Een project wat onze werkgever ‘Green Brands’ heeft binnengesleept op een internationale banenbeurs. ‘Green Brands’, als ik de naam weer hoor moet ik lachen. Hoe verzint Ruben het toch. Als ik besef hoe we op die naam kwamen, achteraf gezien is het hilarisch. Struikelend over onze woorden brachten we onze bedrijfsnaam ten gehore aan Lotte. Niet alleen was ik werkelijk zo zenuwachtig om Lotte onder ogen te komen dat ik niet meer wist wat ik wilde zeggen, ook was ik totaal inspiratieloos. “Lies, help me eens. Vertel Lotte eens wie je bent, en hoe je werk bevalt.” Ruben knipoogt. Ik weet precies wat hij wil. Lotte staart me aan met haar grote opgemaakte ogen en poederroze wangen. “Ehh, nou.. Ja.. Kijk.. Het zit zo..” Ik voel de paniek toeslaan. Ruben en ik hadden nog niet bedacht hoe onze bedrijfsnaam zou heten en hoe ons team eruit zag. “Ons bedrijf heet…” “Greenbrands!” Ruben interrumpeert me en schreeuwt iets te enthousiast onze fake bedrijfsnaam. Ik hoop maar Lotte niets in de gaten kreeg.“Ehh. ja, Greenbrands, dat was het inderdaad.” Met een trillerige stem beaam ik dat ons bedrijf zogenaamd ‘Greenbrands’ heet. Mijn lachspieren staan op scherp, Rubens ogen spreken boekdelen. Wat zullen we hier nog lang over napraten. In mijn gedachten verzonken besef ik dat ik Ruben moet spreken. Ik vertrouw het niet. Vlug pak ik mijn mobieltje. ‘Recente telefoongesprekken’, Rachel, Ramon, Rowie, Ruben! Ik druk op het groene telefoontje op mijn mobiel. “Ruben, Ruben”, schreeuw ik. “Ik moet je spreken, waar ben je?”

Met een schok word ik wakker. Mijn rug is helemaal nat van het zweet en mijn ogen zijn rood doorlopen. Mijn wekker schijnt 3:00 uur op het plafond. Een gaap ontsnapt uit mijn mond. Sliep ik maar naast Ruben. Op dit tijdstip is het onmogelijk om weer in slaap te vallen. Ik probeer mijn ogen nogmaals te sluiten en de beelden van de nachtmerrie weg te dringen. Hoe langer mijn ogen gesloten blijven hoe meer beelden weer terugkomen. Langzaam kom ik overeind, mijn spieren zijn hard en pijnlijk. De val van een paar uur geleden staat me nog vers op het netvlies. Kreunend sta ik op, op zoek naar het lichtknopje. Het licht doet pijn aan mijn ogen, wanneer ik het lichtknopje heb aangedrukt. Voorzichtig gluur ik tussen mijn wimpers door. Het licht lijkt minder fel als net. De kleren die ik gister aanhad liggen op een hoopje in mijn kamer. Het kost me veel moeite om ze op te pakken en aan te doen. Mijn schouder lijkt in dit felle licht steeds blauwer te worden. Hopelijk is het niets ergs bedenk ik me. Ik loop mijn kamer uit naar beneden. Nog even drink ik een glas melk. Vroeger kreeg ik altijd een beker warme melk als ik niet meer kon slapen.  Het enige wat ik nu zou willen is iets horen van Ruben. Ik heb hem al niet meer gesproken sinds een paar dagen geleden. Ik hoop maar dat er niets aan de hand is. Gedachteloos pak ik een appel uit de fruitschaal. Met de appel in mijn hand loop ik naar de voordeur en haal deze zo zacht mogelijk van het slot. Buiten aangekomen komt een heerlijk frisse geur me tegemoet. “Ooh, heerlijk” strompel ik zachtjes. Mijn huis ligt aan de rand van het bos, dus met een paar stappen voel ik de drassige afgevallen bladeren al onder mijn voeten. Bang om te verdwalen ben ik niet. Ik ken dit bos van jongs af aan en ik kom er bijna dagelijks. Wanneer ik omhoog kijk zie ik een mooie volle maan door de bomen schijnen. Ik heb altijd al van een volle maan gehouden, het geeft de nacht iets magisch. Een dikke stam lijkt me vredig aan te kijken. Ik besluit er tegenaan te gaan zitten. Ik sluit mijn ogen en luister naar de geluiden om mij heen. Langzaam dommel ik weg in een lichte slaap.
Ik kan niks zien. Overal heb ik pijn en ik ril van de kou. Dagen zijn verstreken en ik heb geen idee hoelang ik hier al vastzit. Om mijn handen en voeten zitten ijzeren kettingen die met pinnen in de muur vastgemaakt zitten. Mijn kans op ontsnappen is verkeken. De reden waarom ik hier vastzit is mij onbekend. De enige persoon die ik heb gezien is een vrouw met een zwart masker. Ze is mij een paar keer eten komen brengen. Het eten is vies en het ruikt bedorven. Eén keer dacht ik dat ik een vliegenlarf in mijn mond had. Het was verschrikkelijk. Toch moet ik ervan eten. Ik heb honger, vreselijk veel honger, zoveel honger heb ik nog nooit gehad. Mijn maag rammelt en af en toe voel ik braaksel omhoog komen. Ik schrik op uit mijn gedachten door een deur die openvliegt. Een straal licht schijnt naar binnen en meteen knijp ik mijn ogen dicht. Ik hoor geluid. Een platenspeler lijkt het wel. Een vreemd lied, ik ken het niet. Maar toch komt het me bekend voor. Rillingen stromen over mijn lichaam wanneer ik besef dat ik dit geluid ken. Dit geluid hoorde ik ook in Rubens huis!! Wat is dit, waar ben ik? Er straaltje licht komt de kamer binnen. Door de donkere kamer ben ik geen licht meer gewend. De vrouw komt op me afgelopen. Ze praat in een taal die ik niet kan verstaan, het is een raadsel waar ze het over heeft. De stem komt me bekend voor. Een zachte stem, een vertrouwelijke stem. De vrouw komt naast me zitten. Fel licht van haar zaklamp schijnt  door mijn blinddoek in mijn ogen. “Zeg eens wat trut!” hoor ik haar schreeuwen. “Wie ben je?” Antwoord ik geschrokken. Ik krijg een harde klap in mijn gezicht. Ik kan het niet wegdenken dat ik de vrouw ken die tegen me praat. Ik voel een paar handen op mijn achterhoofd. Ze doet mijn blinddoek af. Mijn ogen vernauwen van het licht wat in mijn ogen schijnt. Langzaam zie ik de zwarte stippen verdwijnen voor een vrouwen silhouet. Haar zwarte kanten jurkje en hoge hakken ken ik. Ik werp mijn blik omhoog. Haar grote boezem en platte buik maken mijn jaloers. Ik voel haar adem. Mijn ogen kijken omhoog. Ineens sta ik oog in oog met dr. Ze grijpt naar haar broekzakken en haalt er een groot mes uit. Mijn ogen verwijden van angst. “Lotte! Stop!” Zwart beeld vervult mijn droom…
Hard knal ik met mijn hoofd tegen de boom en ik ben meteen weer wakker. Elke nacht heb ik deze droom en altijd word ik op hetzelfde moment wakker. Zal deze droom iets betekenen? Een waarschuwing misschien? Of gewoon iets dat mijn angst voor Lotte nog meer benadrukt? Ik schud deze gedachte van me af en ga weer recht overeind staan. Opeens krijg ik het gevoel dat ik word bekeken. Ik draai me om en zie iets wegschieten. Een rilling van angst trekt over mijn lichaam terwijl ik mijzelf probeer wijs te maken dat het gewoon één van de dieren in het bos is. Die lopen hier wel meer, niks bijzonders.
Ik voel me niet meer veilig en besluit ik naar huis terug te keren. Weer voel ik me bekeken, maar ik besluit er dit keer geen aandacht aan te besteden. Met mijn blik strak vooruit gericht en mijn oren gespitst versnel ik mijn pas. Door een plotseling gekraak in de boom boven mij, verstijft mijn lichaam en schiet mijn blik naar boven. Ik versnel, ik ren, zo hard mogelijk. Mijn adem piept, ik ben helemaal buiten adem. Ik zie mijn huis al in de verte. De lichten schijnen op mijn karakteristieke raamkozijnen. Met mijn laatste energie ren ik verder. Hoe verder ik ren, hoe duidelijker het wordt dat er iemand voor mijn voordeur staat. Mijn hart verstokt. Ik stop met rennen en probeer wat langzamer te lopen. Hoe verder ik vooruit loop, hoe meer het silhouet duidelijk wordt. Ik verman me en schraap mijn keel. “Ehh.. Sorry” zeg ik terwijl ik uitgeput op een gepaste 10 meter afstand sta. “Wat kan ik voor u doen?” Ik probeer mijn adem te kalmeren. De man die op mijn erf staat draait zich om en rent op me af. Ik verstijf. “Ik mis je Lies.” De man pakt me stevig vast en kust mijn nek. Een blaak van gerustheid overspoelt me. “Blijf bij me alsjeblieft.” Ik pak Ruben vast. Nooit meer laat ik hem gaan.

 

Filosofische liefde

“De liefde openbaart, als een bloem die zich opent in de zachte lentezon. De stralen verblinden, mijn ogen als vuur.

De zachte woorden fluisteren mijn oren. De warmte omarmt mijn angst. De wereld is niet zo groot. Kijk en luister. Voel en geniet. Niets is zo eng, zoals je het jezelf voorstelt.

Niets is beter, niets hoeft beter. Ik besef, hier ben je. Je mooie ogen verblijden. Je lippen als zijde. Geef me het ultieme. Verblijd me; blijf bij me.”

De duistere schimmen van ons bestaan

“Het is maandagochtend, de wekker gunt mij nog 2 minuten slaap. Twee minuten, 120 seconden… Ze lijken eeuwig te duren. Net als afgelopen nacht. Zoals elke nacht eigenlijk.

In mijn ochtendjas loop ik naar de slaapkamer. Op de grond ligt een verlaten matras. Het dekbed verfrommeld, het kussen ernaast. De geur van slaap overvalt me. Zoals altijd eigenlijk.

Op mijn tenen loop ik terug naar boven. Zachtjes en voorzichtig open ik de deur van de badkamer. Schichtig kijk ik in de rondte. Niets. Helemaal niets. Het is als altijd, zoals elke ochtend eigenlijk.

Ik ben op mijn hoede, elke seconde van de dag. De nachtmerries lijken waarheid te worden. De nachten worden korter, de dagen langer. Mijn hoofd ontploft. Kon ik het maar. Ja, kon ik het maar.

Het besef wordt duidelijker, het begrip minder. Daar lag je. Op de koude vloer. De natte plek op de grond verhuld de vele tranen. Het spijt me. Kon ik maar wat doen. Ik denk aan je, zoals elke dag eigenlijk.”